Decentraal, tenzij… het de duurzaamheidsambities en klimaatdoelstellingen betreft

Op 12 april 2022 heeft de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) aangekondigd de maatwerkmogelijkheden voor energiebesparende mogelijkheden, nu nog opgenomen in het bouwwerken leefomgeving (Bbl), te heroverwegen. Daarmee komt de minister terug op de in 2018 gemaakte keuze om lokale overheden in artikel 4.150 en 4.160 Bbl een generieke mogelijkheid te geven om bij maatwerkregels strengere eisen te stellen op het gebied van milieu- en energieprestatie en lokale overheden zodoende de (beleids)ruimte te geven om regels te stellen die passen bij de eigen duurzaamheidambities van gemeenten voor de gebouwde omgeving.

Als aanleiding voor dit voornemen noemt de minister dat de landelijke eisen in het Bouwbesluit voor de energieprestatie van gebouwen en milieuprestatie van gebruikte materialen sinds 2018 zijn aangescherpt en dat verdere landelijke aanscherpingen in het verschiet liggen. De minister schrijft dat de lat in heel Nederland hoog moet worden gelegd om de duurzaamheidsambities en klimaatdoelstellingen die voortvloeien uit onder meer het

Kamerbrief minister VRO: lokaal maatwerk voor energie- en milieuprestatie uit Bbl…
De minister geeft daarnaast nog een belangrijke reden voor het beperken van de maatwerkmogelijkheden: het versnellen van de woningbouw, ten behoeve waarvan de minister op 11 maart 2022 het Programma Woningbouw heeft gepresenteerd. Uit dat programma volgt dat de minister belemmeringen voor de woningbouwopgave weg wil nemen. Blijkens de brief van 12 april 2022 acht de minister het in dat kader van belang dat de technische bouwvoorschriften voor woningbouw in heel Nederland zo veel als mogelijk uniform zijn en op een zo hoog mogelijk ambitieniveau, zodat een ontwikkelaar niet in elke afzonderlijke gemeente technische aanpassingen moet doen aan zijn bouwconcept. Uniforme voorschriften zijn volgens de minister bovendien essentieel om (langjarige) afspraken te kunnen maken tussen ontwikkelaar, ketenpartners en toeleveranciers. Standaardisatie en uniformiteit leidt volgens de minister (op termijn) tot een betere prijs-kwaliteit-verhouding, hogere duurzaamheidsprestaties, een grotere realisatiesnelheid, verlaging van faalkosten en lagere inzet van arbeidskrachten. Volgens de minister kan uniformiteit zelfs leiden tot minder stikstofuitstoot op de bouwlocatie. Of dat laatste voortvloeit uit uniformiteit valt te betwijfelen, maar het streven naar hoge duurzaamheidsambities valt zeker ook vanuit het stikstof-perspectief toe te juichen.

Om welke aanscherpingen het precies gaat, kan de minister nog niet zeggen. Daarover gaat hij nog in gesprek met de sector en medeoverheden. In elk geval gelden sinds 1 januari 2021 BENG-eisen voor nieuwbouw en worden deze verder aangescherpt tot uiteindelijk sprake zal zijn van emissievrije nieuwbouw. Uit een voetnoot leiden wij af dat de minister dit in 2023 zal oppakken. Voor de milieuprestatie-eis voor woningen, op 1 juli 2021 aangescherpt tot 0,8, zal een voorstel worden gedaan tot verdere verlaging. Daarbij zal de minister bezien of de eis al in 2025 naar 0,5 kan voor nieuwbouw.

… maar ruimte om te experimenteren blijft (in theorie) bestaan
Behoudt het lokale bestuur dan helemaal geen ruimte meer? Dat is volgens de minister niet het geval. Volgens de minister blijft er een mogelijkheid voor het lokale bestuur om te experimenteren. De minister verwijst daarvoor naar dezelfde ruimte als nu bestaat onder de Crisis- en herstelwet. Ten aanzien van woningen moet voor de milieuprestatie worden opgemerkt dat de milieuprestatie van 0,8 al strenger was, zodat dat experimenteerregeling alleen voor kantoorgebouwen nog van betekenis is. Tot aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt voor de energieprestatie nog een experimenteerregeling voor in het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet aangewezen gemeenten strengere eisen te stellen aan de BENG-eisen.

Deze experimenteerbepaling is opgenomen in artikel 23.3 Omgevingswet. Ingevolge dit artikel kan bij AMvB worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet en (in theorie) dus ook van het bepaalde in het Bbl ten aanzien van duurzaamheid. Afgaande op de brief van de minister ligt het volgens ons evenwel niet erg voor de hand dat bij AMvB daadwerkelijk afwijkingen van betekenis ten aanzien van de energie- en milieuprestatie zullen worden toegestaan. De ruimte waarop de minister wijst, zal ten aanzien van duurzaamheid in hoge mate theoretisch zijn.

Ook regelgeving voor natuurinclusiviteit en klimaatadaptatie
Tot slot gaat de minister nog in op natuurinclusiviteit en klimaatadaptatie. De minister meldt te werken aan een handreiking die in kaart moet brengen welke mogelijkheden decentrale overheden onder de Omgevingswet hebben om klimaatadaptief en natuurinclusief te bouwen, in te richten en te beheren, juridisch te borgen. Daarnaast werkt de minister aan een nationale maatlat, die duidelijk maakt wat wordt verstaan onder een ‘klimaatbestendige gebouwde omgeving’. Of minimumeisen voor klimaatadaptief bouwen ook zullen worden opgenomen in het Bbl moet vervolgens aan de hand van de op te stellen maatlat worden beoordeeld.

En nu?
De voorgestelde wijziging van het Bbl wordt naar verwachting vanaf begin 2023 aan de Tweede Kamer voorgelegd. Eerst volgt uniformering. Landelijke aanscherpingen volgen daarna. De minister merkt op dat deze wijziging ook wordt aangegrepen om het Bbl op andere onderdelen te wijzigen, het Bbl verder te verbeteren en te onderhouden naar aanleiding van signalen uit de praktijk.

Dit was een bijdrage van Pieter van der Woerd en Victoria Rakovitch  van NewGround Law

NEWGROUND LAW Q&A OMGEVINGSWET



Reacties


Laatste nieuws