Pleidooi voor tweede leven voor de vlaggenschepen van de welvaartstaat

In de vier grote steden van Nederland wachten ca. 480.000 portiekwoningen uit het Interbellum en de wederopbouw in soms sleetse woonbuurten op een transformatie naar klimaatbestendigheid. In Rotterdam wordt een referendum gehouden over de sloop van ca. 20.000 van deze woningen op zuid. Leo Oorschot van de TU Delft toont in zijn artikel aan dat de waarde van deze woongebouwen niet kan worden onderschat.

Ooit waren deze woningen het paradepaardje van de moderne welvaartsstaat. De volkshuisvesting uit de twintigste eeuw. Woongebouwen die soms somber zijn en soms zeer fraai. Vrijwel altijd zijn deze woongebouwen deel van een zorgvuldig ontworpen stedelijk ensemble. Maar in de loop der jaren is daarin veel veranderd.

Portiekwoongebouw van de grote steden
Iedereen kent de portiekwoongebouwen. Vier woonlagen met acht appartementen rond een trappenhuis, geen lift. Gewoonlijk drie- tot vierkamerwoningen met een oppervlakte van ca. 60m2. Ze werden door corporaties tussen ca. 1916 en 1926 gebouwd in het sobere baksteenrationalisme, fraaie Amsterdamse School of het elegante Nieuwe Haagse School. Baksteenarchitectuur van bijzondere kwaliteit. En tussen 1948 en 1965 volgens de principes van de CIAM. Soms helemaal als systeembouw en vaak half systeem en half traditioneel gebouwd, maar altijd in grote hoeveelheden in wijken. 

Deze woongebouwen zijn bijzonder omdat ze met minimale middelen op een uiterst efficiënte manier weden gebouwd voor woningzoekenden in de grote steden. De vrucht van de woningwet uit 1901/2 en het project van sociaaldemocraten en confessionelen die bestaanszekerheid bod aan de nieuwe stadsbewoners. Dit woongebouw was een totaal nieuw product voor de grote steden waarbij persoonlijke hygiëne en binding tussen bewoners centraal stond.

Bedsteden, waar het halve gezin in sliep, werden verboden en ouders, jongens en meisjes kregen elk een eigen slaapkamer. De 'schoonkamer' en de eetkeuken van het platteland verdwenen en er kwam een functionele keuken met een aparte woon- en eetkamer. Voor de hygiëne kwam er een speciale ruimte om te wassen. Eind jaren dertig kregen woningen zelfs een centraal antennesysteem voor de radio.

En de woonkamer werd verwarmd met een gashaard, vanaf de jaren zestig zouden deze worden vervangen door de CV die het hele huis verwarmde en ook geisers werden vervangen door ketels. Om vochtplekken te voorkomen werd al meteen in de jaren dertig de spouwmuur ingevoerd. Na de oorlog volgden nog vele verbeteringen. Het beperkte budget en de grote druk om veel te bouwen leiden tot tal van bouwkundige en organisatorische innovaties. Er vond een ware revolutie in bouwtechniek, bouwlogistiek, planologie en stedenbouw plaats.

De werkelijke waarde van een woongebouw
Portiekwoongebouwen en deze woonbuurten zijn misschien wel het mooiste product van de verzorgingsstaat uit de twintigste-eeuws en bevrijdde mensen van de erbarmelijke sloppen van de negentiende-eeuw. Woongebouwen en wijken die miljoenen mensen in Nederland hebben gevormd en die zijn verankerd in herinneringen van de stadsbewoners. Gebouwen en wijken met een grote culturele betekenis.

Deze culturele betekenis wordt in de praktijk vaak nauwelijks onderkend. De Baarsjes in Amsterdam heeft ondanks zijn grote architectonische kwaliteit een belachelijk lage waardering in De Schoonheid van Amsterdam gekregen, en nergens is een monument aangewezen. De Baarsjes heeft de kwaliteiten van Amsterdam-Zuid maar een andere bevolking en huizenprijs. Misschien zien bestuurders dat graag veranderen en houden ze de optie voor sloop open. Rotterdam-Zuid heeft plannen om een groot deel van de sociale huurwoningen in zuid te vervangen door vrije sector woningen. Ook in Den Haag worden door de WOM Zuidwest (samenwerking Den Haag en Vestia) betaalbare portiekwoongebouwen afgebroken voor diversiteit in bebouwing en nieuwe bewoners. Met diversiteit bedoelt men gewoonlijk vrije sector of koopwoningen en met nieuwe bewoners worden jonge en kapitaalkrachtige bewoners bedoeld die de stedelijke economie en haar voorzieningen op peil moeten houden.

Maar het kan ook anders
Robijnhof in Utrecht (tweede foto hiernaast) van de architect Gerrit Rietveld uit 1957 werd het flagship van wooncorporatie Bo-Ex. Er kwam zelfs een museumwoning. De stempel met portiekwoongebouwen en laagbouwwoningen is een schitterend voorbeeld van wederopbouw.

Het Schip uit 1920 (derde foto hiernaast) van de corporatie Eigen Haard in Amsterdam. Een prachtig portiekwoongebouw in de Spaandammerbuurt van in Amsterdamse School architectuur van Micel de Klerk. Het Museum Het Schip werd uitgebreid en ook hier werd een arbeiderswoning gerestaureerd.

In Den Haag heeft Haag Wonen net de renovatie en verbetering van Valthebouwblok uit ca. 1956 voltooid. Een pracht werk van de architect Fels in de wijk Morgenstond. Een bouwblok dat volgens de principes van Dudok is uitgelegd. Voor Haag Wonen, de bewoners en de buurt een visitekaartje.

Ook in Den Haag voltooide Staedion de renovatie van het Esmoreitblok in het oudste deel van Moerwijk. Een buurt die ooit nog door Berlage werd ontworpen, de woningbouwontwerpers Cusell & Munnik ontwierpen de portiekwoongebouwen in de jaren twintig.

In Rotterdam is natuurlijk De Eendracht van architect Van der Broek, maar vooral het Justus van Effenblok (grote foto) in Spangen van de architect Brinkman uit 1919 een paradepaardje voor Woonstad Rotterdam.

En de Rivierenbuurt in Den Haag laat zien dat bij een complexe herstructurering van de laatste vijftien jaar er geen betaalbare woningen onttrokken hoeven te worden en er ruimte gemaakt kan worden voor veel nieuwe vrije sector woningen. Uiteindelijk profiteert hier de hele buurt van de nieuwe voorzieningen.

Gentrification
Al deze voorbeelden laten zien dat, als portiekwoongebouwen worden beschouwd als erfgoed ze veel kansen creëren voor verduurzaming. Erfgoed kan status geven aan sleetse woonbuurten zoals Spangen en Spaandammerbuurt. Culturele, wellicht zelfs museale, betekenis trekt nieuwe bewoners aan. En met de huidige woningschaarste verdienen deze woningen een tweede leven. Net zoals Adri Duivesteijn in 1985 een pleidooi hield voor ‘Stadsvernieuwing als Kulturele Aktiviteit’ zo zouden corporaties hun erfgoed kunnen inzetten als strategie om tot plezierige woonbuurten te komen. Zo bezien zijn de portieketagewoningen de potentiële vlaggenschepen van corporaties.

Leo Oorschot is een Haags architect en urbanist. Hij studeerde architectuur en urban design aan de TU Delft Architecture & Built Environment. Bij Urbanism in Delft promoveerde hij op: Conflicten over Haagse Stadsbeelden – Van Willemspark tot Spuiforum 1860-2010. Een onderzoek naar de niet altijd rechtlijnige wording van een moderne stad en de rol van verschillende stakeholders daarbij.

Tegenwoordig werkt hij bij atelier PRO architekten en is hij verbonden aan de TU Delft, sectie Heritage & Architecture en de onderzoeksgroep Beyond the Current. Dit is een onderzoeksgroep van de leerstoelen Housing Management, Architectural Engineering en Heritage & Architecture van de TU Delft. In samenwerking met de Hogeschool Utrecht, corporaties Mitros, De Alliantie, Eigen Haard, architectenbureaus Van Schagen, INBO, FARO en brancheorganisaties BNA, NRP en Huren met Energie onderzoeken zij welke verbeteringsstrategieën voor portiekwoongebouwen passen bij de culturele waarden van deze gebouwen en de voorkeuren van de bewoners die erin wonen. Het onderzoek wordt gefinancierd door NWO/STW/SIA.

Reacties

Lees onze special over Hoogbouw Special