Het kort geding is een geweldig breekijzer. Als twee partijen met elkaar overhoop liggen kan een kort geding een doeltreffende manier zijn om een doorbraak te forceren. Alleen al het uitbrengen van een kort geding dagvaarding doet vaak wonderen. Onder druk wordt immers alles vloeibaar. En leidt het uitbrengen van de dagvaarding niet tot het gewenste resultaat, dan kun je de dagvaarding altijd weer intrekken.

Het aanspannen en op het laatste moment weer intrekken van een kort geding is trouwens ook een uitstekende manier om je tegenpartij op de kast te jagen. Een kort geding veroorzaakt namelijk altijd stress. Ook al slaat je vordering nergens op, je wederpartij zal toch tijd en geld moeten steken in de voorbereiding van z’n verweer. Trek je de dagvaarding weer in, dan heeft hij dat voor niets gedaan.

Tot voor kort kon de gedaagde partij weinig doen tegen deze vorm van pesterij. Werd de dagvaarding ingetrokken, dan kwam de zaak niet bij de rechter, en kon de rechter daar ook geen uitspraak over doen. Zo kon de eisende partij in beginsel ongestraft zijn gang gaan met het aanspannen en weer intrekken van kort gedingprocedures.

Hoge Raad
Recentelijk heeft de Hoge Raad geprobeerd deze praktijk aan banden te leggen. In zijn arrest van 3 juni 2016 besliste de Hoge Raad dat als de eisende partij een kort geding intrekt, de gedaagde partij de rechter kan vragen de eiser in de proceskosten te veroordelen. Een dergelijke proceskostenveroordeling dekt in de meeste gevallen niet alle kosten die de gedaagde ter voorbereiding van het kort geding heeft moeten maken, maar het betekent wel dat de eiser niet meer helemaal zonder risico tot dagvaarding kan overgaan.

Wie A zegt, moet nu dus ook B kunnen zeggen. Blijkt de eiser zijn zaak niet hard te kunnen maken, dan riskeert hij een proceskostenveroordeling en bovendien een behoorlijk gezichtsverlies. Een goede ontwikkeling lijkt me!

Een column van Jonathan Gal, vastgoedadvocaat en partner bij Buren Legal

Reacties

Lees onze special over Rotterdam Special