Column: Wijziging matigingsgronden boeteoplegging arbeidsomstandigheden

Werkgevers hebben de plicht om te zorgen voor goede arbeidsomstandigheden voor hun werknemers. Dit om de veiligheid en gezondheid te bevorderen en om ongevallen en ziekten te voorkomen. Er zijn daarom bijvoorbeeld regels betreffende de inrichting van een bouwplaats, het werken met asbest, de fysieke belasting van het werk en persoonlijke beschermingsmiddelen.

Wanneer een overtreding van de regels is geconstateerd, wordt de werkgever een bestuurlijke boete opgelegd. De hoogte van de boete moet worden afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Vanwege rechtseenheid en rechtszekerheid heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beleidsregels vastgesteld op grond waarvan de hoogte van de boete wordt berekend.

Oude systematiek
Sinds 2007 bevatten deze beleidsregels drie matigingsgronden, op basis waarvan de boete kan worden verlaagd wegens verminderde of geheel ontbrekende verwijtbaarheid. Deze matigingsgronden leiden per grond tot een matiging van 1/3e deel, maar ze zijn wel cumulatief geformuleerd. Dit houdt in dat pas aan de tweede matigingsgrond wordt toegekomen, als aan de eerste volledig wordt voldaan. Tevens pas aan de derde, als aan de tweede wordt voldaan. Deze matigingsgronden luiden kortweg als volgt:

1. De risico’s zijn voldoende geïnventariseerd, er is een veilige werkwijze ontwikkeld en er zijn geschikte arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen beschikbaar;
2. Er zijn voldoende instructies gegeven;
3. Er is adequaat toezicht gehouden.

In haar uitspraak van 6 mei 2015 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State echter, anders dan voorheen, geoordeeld dat deze matigingssystematiek onredelijk is. Voornamelijk het cumulatieve karakter is bezwaarlijk. Een werkgever die voldoet aan matigingsgronden 2 en 3, krijgt in deze systematiek dezelfde behandeling als een werkgever die geen enkele inspanning op dit gebied heeft verricht. De eerste matigingsgrond wordt daarbij als veelomvattend aangemerkt.

Nieuwe systematiek
In reactie op deze uitspraak zijn op 3 september 2015 eerst de cumulatieve matigingsgronden uit de beleidsregels geschrapt. Op 17 december 2015 is vervolgens een nieuwe matigingssystematiek bekendgemaakt in de Staatscourant. Kortweg is de eerste matigingsgrond opgesplitst in twee gronden en zijn de vier gronden niet meer cumulatief van aard. Op zichzelf kunnen deze gronden dus nu leiden tot een matiging van 25%. De nieuwe matigingsgronden zijn kortweg:

1. De risico’s zijn voldoende geïnventariseerd en er is een veilige werkwijze ontwikkeld;
2. Er zijn de noodzakelijke randvoorwaarden gecreëerd voor het toepassen van een veilige werkwijze;
3. Er zijn adequate instructies gegeven;
4. Er is adequaat toezicht gehouden.

Tot slot wordt opgemerkt dat er op grond van artikel 5:46, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht er nog andere relevante gronden aan de orde kunnen zijn, waarop in het concrete geval matiging mogelijk is. De matigingsgronden zijn dus niet limitatief opgesomd in de beleidsregels. Bovendien geldt op grond van lid 4 van voornoemd artikel dat in lopende zaken het meest gunstige matigingssysteem moet worden gevolgd.

Een column van Simon Olierook, advocaat bij De Clercq Advocaten Notarissen

Reacties

Lees onze special over Vastgoedfinanciering Special 2021