Op WOCODA vonden ontmoetingen plaats die maanden tijd besparen

Op WOCODA vonden ontmoetingen plaats die maanden tijd besparen

Met 2.942 bezoekers was de volkshuisvestingsbeurs WOCODA opnieuw een drukbezochte ontmoetingsplek voor gemeenten, provincies, woningcorporaties en marktpartijen. Op de beursvloer ging het om wat in de praktijk vaak doorslaggevend is: elkaar spreken, elkaar zien en daarna pas weer mailen.

Wie volkshuisvestingbeurs WOCODA eind januari binnenliep, stuitte op een ‘ontspannen sfeer’, zoals meerdere bezoekers het omschreven. Dat maakte de drempel om contact te leggen laag, zeker voor partijen die elkaar in projecten geregeld tegenkomen, maar in het dagelijkse werk op afstand van elkaar staan. ‘Ik heb contacten ontmoet waar ik hiervoor alleen telefonisch en per mail contact mee had. Door het persoonlijke contact zijn meteen concrete meetings en afspraken ingepland’, aldus een bezoeker.

Het zegt veel over hoe de woningbouwmachine tegenwoordig draait. De sector is de afgelopen jaren verder geprofessionaliseerd en tegelijk verder versnipperd: meer ketens, programmalijnen, overlegtafels en digitale afstemming. Daarmee wordt samenwerken efficiënter, tot het moment waarop het niet meer opschaalt omdat iedereen elkaar wel kent als e-mailadres, maar niet als gesprekspartner. Vaak zit versnelling, vooruitgang en succes ‘m in simpelere dingen dan een nieuwe taskforce of ‘bouwbaas’ en gaat het erom dat je de persoon aan de andere kant van de ether kent, begrijpt en vertrouwt. Het simpele succes van laagdrempelig persoonlijk contact is terug te zien in een andere methode die wordt gebruikt om woningbouw te versnellen, namelijk parallel plannen. Deze gelauwerde werkwijze zorgt er simpelweg voor dat de voor een project relevante personen op de juiste momenten bij elkaar komen om afspraken te maken en knopen door te hakken. Hierdoor kunnen projecten vele jaren sneller van de grond komen.

Optopinspiratie
Dat persoonlijke contact is niet alleen van belang tussen markt en overheid, zo bleek op de beurs. Een medewerker van gemeente Groningen die graag optoppen in de eigen gemeente van de grond wil krijgen, deed inspiratie op bij de stand van provincie Zuid-Holland, waar optoppen nadrukkelijk als speerpunt werd neergezet. De provincie werkt met hulpmiddelen die gemeenten en marktpartijen moeten helpen om optoppen sneller van idee naar uitvoering te krijgen, waaronder een handreiking. Voor deze gemeenteambtenaar was het nuttig om te zien hoe een andere overheid het onderwerp heeft vertaald naar concrete ondersteuning. Zij wil optoppen in de eigen gemeente namelijk voortvarender oppakken. Aan het einde van de dag stapte de gemeenteambtenaar met inspiratie en een optophandleiding in de tas in de trein terug naar Groningen.

Tijdens de aftrap van de beurs zei Liesbeth Spies, voorzitter van Aedes in haar openingsspeech dat WOCODA voelt als een reunie: ‘Ik vind het mooi om te zien hoe alle partners hier bij elkaar zijn gekomen om van elkaar te leren en te inspireren.’ Dat van elkaar leren, inspireren en samenwerken is een eerste stap, maar niet genoeg om het probleem op de woningmarkt op te lossen. Spies maakte van de gelegenheid gebruik om te benadrukken dat naast samenwerken ook aan de financiële randvoorwaarden moet worden voldaan waarbinnen dat samenwerken überhaupt zin heeft. Een boodschap die niet vaak genoeg herhaald kan worden, zeker in het licht van het nieuwe coalitieakoord waarbij een groot deel van het overheidsgeld naar defensie is gealloceerd en een paar centen en een hoop mooie woorden naar de woningmarkt gaan. Spies zette de vennootschapsbelasting voor corporaties - die het nieuwe kabinet niet heeft afgeschaft - neer als een knelpunt dat inmiddels breder doorslaat dan de corporatiesector zelf. ‘Als 30 procent sociaal niet meer kan, gaat de rest ook niet lukken’, zei ze. Als corporaties niet meer kunnen investeren, raakt dat ook het middensegment en uiteindelijk de vrije sector, omdat projecten in elkaar grijpen.

Ambities en praktijk
Desondanks was de sfeer optimistisch. Corporatiemedewerkers en -directeuren zochten nadrukkelijk het gesprek met partijen die oplossingen beloven voor versnelling van fabriekswoningen tot concepten die sociale cohesie moeten versterken. Nicole Maarsen zette in haar sessie de versnelling concreet neer: richting 2030 moet 50 procent van de woningproductie industrieel worden gerealiseerd en 50 procent datagedreven en digitaal ondersteund, met als doel 25 procent kortere doorlooptijden. Haar punt was dat techniek niet het knelpunt is, maar het voortraject: eerder keuzes maken, randvoorwaarden vastleggen en processen parallel organiseren. ‘Overheden staan aan de lat’, zei ze, omdat juist daar de meeste tijd weglekt.

De discrepantie tussen ambitie en uitvoering keerde terug in de 92 kennissessies, die op de beurs vaak fungeren als röntgenfoto van het debat: daar waar ambities botsen op doorlooptijden, menskracht, vergunningen, stikstof, netcongestie en geld. Jet Bussemaker, voorzitter van de Raad voor de Volksgezondheid en Samenleving, zette een ander soort spanning centraal: die tussen ‘stenen’ en ‘mensen’. Volgens haar wordt er te vaak gebouwd alsof het sociale domein vanzelf meebeweegt, terwijl de kwaliteit van leven juist ontstaat in de interactie tussen wonen, zorg en sociale relaties. Op de beurs waarschuwde zij: ‘Bouwen zonder sociale samenhang is bouwen op drijfzand.’ Het is een zin die gemakkelijk als retoriek kan wegwaaien, maar op zo’n dag krijgt hij gewicht door de context: veel professionals in de zaal hebben projecten gezien waar de fysieke oplevering keurig was, maar waar later de sociale optelsom tegenviel door het ontbreken van voorzieningen, ontmoeting of draagkrachtige netwerken.

Demograaf Jan Latten bracht die sociale kant terug naar harde trends en cijfers. Hij stelde dat de alleenwonende de dominante groep op de woningmarkt wordt en dat die trend waarschijnlijk nog wordt onderschat. ‘De eengezinswoning staat niet voor niets in het museum’, stelde hij in zijn sessie. Latten legde uit hoe starters steeds vaker alleenstaand zijn, hoe scheidingen en vergrijzing de vraag naar kleinere, passende woningen vergroten, en hoe dat vooral voor de sociale huursector direct gevolgen heeft. Zijn verhaal dwingt ontwikkelaars en corporaties om niet alleen in aantallen te denken, maar in huishoudens en levenslopen en om toe te geven dat veel bestaande productdefinities (de ‘standaard’ plattegrond, het vaste woonprogramma) minder vanzelfsprekend worden.

Alledaagse
WOCODA laat dat procesmatige aspect misschien wel het best zien in het alledaagse. Je ziet corporatiemensen die in de ochtend nog een principediscussie voeren over betaalbaarheid en in de middag bij een stand staan te praten over uitvoeringsdetails. Je ziet gemeenteambtenaren die normaal vooral de formele route bewaken, maar hier even doorvragen op wat elders al is geprobeerd. En je ziet marktpartijen die merken dat ‘de gemeente’ niet een ding is, maar een verzameling disciplines die elkaar intern ook moeten vinden. Het zijn kleine observaties, maar ze wijzen op een werkelijkheid die in beleidsstukken zelden doorklinkt: de woningbouwopgave is niet alleen een rekensom van woningen per jaar, maar een samenwerkingsvraagstuk dat telkens opnieuw begint bij vertrouwen, begrip en het vermogen om elkaar snel te bereiken.

Daarom blijft die ene zin, gehoord op de vloer, het beste bij het karakter van de dag passen en bij de gehele woningbouwopgave: ‘Afspraken komen sneller tot stand nadat je elkaar een keer hebt ontmoet.’ Niet als reclame voor een beurs, maar als beschrijving van een sector die steeds verder digitaliseert en professionaliseert en juist daardoor merkt hoe waardevol het is als een ingewikkeld dossier af en toe weer een gesprek wordt.



Reacties


Laatste nieuws