Woonquote sinds 2015 gedaald

De woonquote, de totale woonlasten als percentage van het besteedbaar inkomen, is voor zowel huurders als eigenaren van woningen sinds 2015 gedaald. Huurders in de particuliere sector betalen 42,4% van hun besteedbaar inkomen aan woonlasten en hebben daarmee de hoogste woonquote die het minst is gedaald.

Gemiddeld was de woonquote in 2021 voor huurders 36,3%. Huiseigenaren waren met gemiddeld 23,4% een kleiner deel van hun besteedbaar inkomen kwijt aan wonen. Deze woonquotes zijn lager dan in 2018. Dit meldt het CBS op basis van het woononderzoek Nederland (WoON) 2021, een driejaarlijkse enquête onder ruim 47.000 Nederlanders.

Eigenaren het beste af
Voor zowel woningeigenaren als huurders nam de gemiddelde woonquote af. De woonquote van huurders is sinds 2015 gemiddeld met 2,3 procentpunt afgenomen. De woonquote van eigenaren laat een nog gunstiger beeld zien; een afname van 3,8 procentpunt in de periode 2015-2021. Met name in de periode 2018-2021 nam de woonquote voor woningeigenaren fors af. De woonuitgaven van eigenaren bleven in deze periode met ruim €900 min of meer stabiel, terwijl hun gemiddelde inkomen steeg.

Stijging huurprijs inflatie-gedreven
Huurders betaalden in 2021 gemiddeld €723 aan maandelijkse woonlasten, in lopende prijzen een stijging van ruim 11 procent ten opzichte van 2015. Gecorrigeerd voor inflatie bleven de woonlasten van huurders min of meer gelijk in deze periode.  De toename in lopende prijzen komt volledig voor rekening van hogere huren. De kale huur bedroeg in 2021 gemiddeld €652, ruim 20 procent meer dan in 2015. Deze toename werd nauwelijks gecompenseerd door een verhoging van de huurtoeslag. De hoogte van de bijkomende woonlasten nam wel af ten opzichte van 2015.

Particuliere huurder heeft gemiddeld hoogste woonquote
Ondanks een hoger inkomen waren huurders van een particuliere verhuurder, met gemiddeld 41,8 procent,  een veel groter deel van hun inkomen kwijt aan woonlasten dan huurders van corporatiewoningen, waarvoor de woonlasten gemiddeld een derde van het inkomen vormden. Particuliere huurders zijn met gemiddeld 835 euro fors meer huur gaan betalen. Daarnaast ontvingen zij, vergeleken met huurders van corporatiewoningen, minder compensatie via de huurtoeslag.

Laagste inkomens hebben relatief hoge woonlasten
De woonquote neemt sterk af naarmate het inkomen van huishoudens toeneemt. In de laagste inkomensgroep bedroegen de woonlasten, zowel voor eigenaren als huurders,  gemiddeld 45 procent van het inkomen. Huurders in deze groep waren in 2021 maandelijks gemiddeld €533 kwijt aan woonlasten. Voor woningeigenaren was dat gemiddeld €562. In de hoogste inkomensgroep lagen de woonlasten ruim twee keer zo hoog, maar vormden deze lasten 18 procent van het besteedbare inkomen. De woonsituatie van huishoudens verschilt sterk per inkomensgroep. Het aandeel huurders daalt van bijna 80 procent in de laagste inkomensgroep tot 8 procent in de hoogste inkomensgroep.

Jonge huurders en eigenaren hebben een relatief hoge woonquote
Jonge huishoudens hebben hogere relatieve woonlasten dan oudere huishoudens. Dit geldt met name voor huurders. Voor huurders met een huishoudenshoofd jonger dan 35 jaar bedragen de woonlasten gemiddeld ruim 41 procent van het inkomen. Onder hen zijn huurders van particuliere verhuurders zelfs ruim 45 procent van hun inkomen kwijt aan woonlasten. Voor huurders van 35 tot 55 jaar ligt de woonquote met gemiddeld bijna 33 procent aanzienlijk lager. Voor huurders van 55 tot 75 jaar is de quote gemiddeld ongeveer 35 procent.



Reacties


Laatste nieuws