Column: Vraag BTW op oninbare huurvorderingen terug!

Het kan voorkomen dat een huurder de huurtermijnen niet (meer) kan voldoen. Dat is pijnlijk, omdat de verhuurder in zo’n geval vaak de vordering moet afboeken. De pijn kan iets worden verzacht door de btw op dit soort oninbare vorderingen bij de Belastingdienst terug te vragen. Jayant Rakhan, btw-adviseur bij Baker Tilly Berk informeert u hierover in dit artikel.

Vanaf 1 januari 2017 is nieuwe regelgeving voor het terugvragen van btw op oninbare vorderingen in werking getreden. Deze nieuwe regelgeving heeft als doel de teruggaaf van btw in geval van oninbare vorderingen (bijvoorbeeld bij btw-belaste verhuur of servicekosten) sneller en effectiever te realiseren.

Daarnaast kan het verzoek om teruggaaf via de btw-aangifte worden afgehandeld en is een wetsfictie ingevoerd om vast te stellen wanneer de vordering als “oninbaar” wordt aangemerkt en derhalve recht op teruggaaf van btw bestaat.

Vordering is oninbaar
Op basis van de btw-wetgeving ontstaat voor de verhuurder, die belast met btw verhuurt, het recht op teruggaaf van btw indien de vordering als “oninbaar” wordt aangemerkt. Hiervan is sprake indien vaststaat dat de huurder de openstaande huurtermijn(en) niet meer zal betalen. De verhuurder moet aannemelijk maken dat de huurtermijnen niet zijn en niet meer zullen worden betaald.

Vanaf 1 januari 2017 wordt een vordering in ieder geval als “oninbaar” aangemerkt uiterlijk 1 jaar na het verstrijken van de uiterste betaaldatum die tussen partijen is overeengekomen. Als geen betalingstermijn is vastgelegd, dan geldt de wettelijke betalingstermijn van 30 dagen na ontvangst van de factuur.

Vanaf 1 januari 2017 kan de btw op een oninbare vordering in de reguliere btw-aangifte worden verwerkt. Een apart schriftelijk teruggaafverzoek is niet langer nodig. Op het aangiftebiljet is geen aparte rubriek voor oninbare vorderingen opgenomen. Het btw-bedrag kan daarmee opgenomen worden als aftrekbare voorbelasting (rubriek 5b van de btw-aangifte) of als negatieve omzet met het daarbij behorende negatieve bedrag aan btw (rubriek 1a of 1b van de btw-aangifte).

Mocht de huurder de oninbare vordering alsnog (gedeeltelijk) betalen, dan is de verhuurder de btw alsnog verschuldigd en dient hij de btw opnieuw op aangifte te voldoen.

Vaststellen oninbaarheid
De verhuurder die een oninbare vordering heeft, moet goed vaststellen wanneer de vordering oninbaar is geworden. Zodra de oninbaarheid vast staat, moet de btw worden teruggevraagd. Komt de oninbaarheid niet vast te staan, dan geldt het volgende.

  • Voor vorderingen die zijn ontstaan vóór 1 januari 2017 en waarvan op die datum nog niet vast staat dat de vordering niet wordt betaald, wordt de datum van opeisbaarheid bepaald op 1 januari 2017. Dat betekent dat de verhuurder de btw uiterlijk op 1 januari 2018 (dus in de btw-aangifte over het eerste tijdvak van 2018) kan terugvragen.
  • Voor vorderingen die ontstaan na 1 januari 2017 geldt volledig de nieuwe regeling. De verhuurder kan de btw dan terugvragen uiterlijk na 1 jaar na het verstrijken van de datum waarop de huurtermijn opeisbaar is geworden.

Let op! Indien een huurder stelselmatig de huur (met btw) niet betaalt, dan ontstaat hiervoor in principe elke keer een nieuw moment van opeisbaarheid. Voor elke huurtermijn ontstaat derhalve een nieuwe termijn om de btw terug te vragen. Zodra echter komt vast te staan dat de huurder daadwerkelijk niet meer zal betalen, bijvoorbeeld bij faillissement van de verhuurder, kan de btw op dat moment in één keer worden teruggevraagd.

Bovenstaande heeft ook gevolgen voor de huurder (schuldenaar) die reeds btw in aftrek heet gebracht. Hierover informeren wij u op een later moment.

Wilt u meer weten over de teruggaaf van btw op oninbare vorderingen? Neem dan contact op met Jayant Rakhan (j.rakhan@bakertillyberk.nl of 06 12 02 41 49).

Fotocredits: Designed by Kues1 - Freepik.com

Reacties

Lees onze special over Bijzondere Projecten